Bijzondere gevallen

Op de regels zijn een aantal uitzonderingen. Een overzicht van de bijzondere gevallen en uitzonderingen vindt u op de website autokinderzitjes.nl.

Baby's tegen de rijrichting in / zitplaats met airbag

Babyautostoeltjes voor baby's tot ongeveer 1 jaar moeten altijd tegen de rijrichting in worden bevestigd. Op een zitplaats met een airbag ervoor mogen baby's alleen worden vervoerd in een babyautostoeltje als de airbag is uitgeschakeld. Het autostoeltje kan namelijk door de airbag naar achteren worden geslagen, iets wat de baby mogelijk niet overleeft. Of dat uitschakelen mogelijk is en hoe dat moet, staat in de gebruiksaanwijzing van de auto. Of vraag het bij de garage.

Het is raadzaam om ook kinderen tot 12 jaar niet bij een airbag te zetten die is ingeschakeld. Als het niet anders kan, zet dan de autostoel dan zo ver mogelijk naar achteren.

Gordels en kinderzitjes correct gebruiken

Het is verplicht om de autogordels en kinderzitjes te gebruiken op de door de fabrikant voorgeschreven manier. Zo zijn ze ook getest. Het is bijvoorbeeld niet toegestaan het diagonale deel van de gordel achter de rug langs of onder de arm door te dragen. De gordel is niet ontworpen om zo te worden gebruikt en werkt dan ook niet goed. Ook voor zwangere vrouwen en hun ongeboren kind is het veel veiliger de gordel op de juiste manier te dragen: het heupgedeelte onder de buik, zo laag mogelijk over het bekken en het diagonale deel over de borst, boven de buik.

Gordelverlenger

Een gordelverlenger bij een kinderzitje is niet toegestaan. Is de gordel te kort, dan moet u een andere (goedgekeurde) autogordel laten monteren of een kinderzitje gebruiken dat wel met de originele gordel goed te bevestigen is.

Gordelgeleider

Een gordelgeleider (gordelclip) moet ervoor zorgen dat het diagonale deel van de autogordel over de schouder loopt en niet over de hals. Een gordelgeleider kan deel uitmaken van een zittingverhoger. Er zijn ook afzonderlijke gordelgeleiders te koop. Deze laatste mogen niet gebruikt worden, behalve:

  • door volwassenen;
  • door kinderen zwaarder dan 36 kilo;
  • in uitzonderingsgevallen waarin geen kinderzitje gebruikt hoeft te worden.

De afzonderlijke gordelgeleiders die in deze gevallen zijn toegestaan, moeten aan enkele eisen voldoen. Zij mogen alleen aan het diagonale deel van de autogordel zijn bevestigd. Een gordelgeleider die het heupdeel met het diagonale deel verbindt, is dus altijd verboden. Verder mag een gordelgeleider de goede werking van de gordel niet belemmeren en mag hij geen ruwe delen hebben die de gordel kunnen beschadigen. Voor kinderen blijft een zittingverhoger veiliger. Die zorgt er namelijk ook voor dat het heupgedeelte van de gordel over het bekken loopt en niet over de buik. Daardoor kan bij een ongeval ernstig inwendig letsel worden voorkomen. Met een gordelgeleider blijft de kans op dergelijk letsel aanwezig. Gebruik dus als het even kan liever een zittingverhoger.

Regels in het buitenland

De regelgeving voor het vervoer van kinderen in de auto geldt in alle landen die zijn aangesloten bij de Europese Unie (EU), maar er kunnen wel verschillen zijn. In sommige landen moeten kinderen onder de 1,50 meter (in plaats van 1,35 meter) een kinderzitje gebruiken. Ook gelden niet overal alle uitzonderingen. Voor de juiste regels kunt u het beste contact opnemen met de autoriteiten van het betreffende land. Informatie over het gebruik van kinderzitjes in de belangrijkste vakantielanden van Europa vindt u in het dossier 'Vervoer van kinderen in het buitenland' op de website van de ANWB.